
Kind van het Circus
Hoeveel werkelijkheden kan één ziel bewonen?
Wanneer Margreetje wordt geboren, draagt zij nog een bewustzijn met zich mee dat groter is dan het kleine lichaam waarin zij terechtkomt. Terwijl ze opgroeit tussen familie, geloof en verwachtingen, vervaagt het contact met haar ziel langzaam naar de achtergrond — maar het verdwijnt nooit helemaal.
Naast haar dagelijkse werkelijkheid opent zich een wonderlijk circus vol verloren wensen, verborgen doorgangen en raadselachtige figuren. Is het een droom, een andere werkelijkheid of een wereld waarin dezelfde ziel een ander bestaan leidt?
Kind van het Circus is een literaire roman waarin verschillende werkelijkheden door elkaar heen bewegen en één vraag steeds dichterbij komt: kan een ziel tegelijkertijd in meer dan één wereld bestaan?
Over het boek
Kind van het Circus volgt Margreetje vanaf het moment waarop zij haar ogen opent in een wereld die kleiner en begrensder is dan het bewustzijn dat zij met zich meedraagt.
Tijdens haar jeugd leert ze de rollen, regels en overtuigingen kennen die bij het menselijk bestaan lijken te horen. Ze krijgt een naam, een plaats binnen haar familie en verwachtingen waaraan ze geacht wordt te voldoen. Terwijl ze probeert te begrijpen wie zij is, vervaagt het oorspronkelijke contact met haar ziel langzaam naar de achtergrond. Toch blijft er iets aanwezig dat zich niet volledig laat vergeten.
Tussen de gebeurtenissen uit haar dagelijks leven ontvouwt zich een andere vertelling. In een wonderlijk circus ontmoet Margreetje figuren die haar lijken te herkennen en betreedt ze plaatsen die vertrouwd voelen, hoewel ze er nooit eerder is geweest. Deze wereld ontwikkelt zich naast de zichtbare werkelijkheid en krijgt gaandeweg een eigen geschiedenis.
Zijn het afzonderlijke werelden, of verschillende lagen van dezelfde werkelijkheid? Bestaan ze na elkaar, naast elkaar of tegelijkertijd? En kan één ziel zich op meerdere niveaus en in verschillende werkelijkheden tegelijk ervaren?
Het boek geeft daarop geen vaststaand antwoord. Het nodigt de lezer uit om met Margreetje mee te kijken, te twijfelen en te ontdekken waar werkelijkheid eindigt — als zij al ergens eindigt.
Lees een fragment
De Wedergeboorte van Parel
Op een ijskoude ochtend in februari 1962 opent Parel haar ogen in een wereld die plotseling niet groter is dan een met wit satijn beklede wieg. Haar bewustzijn reikt nog verder dan het kleine lichaam waarin zij terechtgekomen is, maar het menselijke leven is al begonnen.
Lees hieronder het begin van Kind van het Circus.
Dit fragment komt uit een boek in wording en kan tijdens het schrijfproces nog veranderen.
1. De Wedergeboorte van Parel
Plotseling opende ik mijn ogen. Ik werd niet langzaam wakker. Ik was er ineens.
Het regende hard en een krachtige wind joeg over het land. Buiten hoorde ik wind aan het huis rukken en sloeg de regen tegen de ramen. Binnen had ik mij na veel moeite een weg naar het leven gebaand. Een rustige binnenkomst was het niet.
Nederland telde die dag in 1962 naar schatting 11.740.446 inwoners. Om half elf kwam daar één bij: ik.
Ongeveer 50,2 procent van de bevolking was vrouw. Ook aan dat percentage leverde ik vanaf dat moment mijn bijdrage. Veel was het niet, maar je moet ergens beginnen.
Ik werd bovendien geboren onder het dierenriemteken Waterman en in het Chinese jaar van de Watertijger. Blijkbaar kon er volgens de kosmos niet genoeg water aan mijn geboorte worden toegevoegd.
Mijn wereld beperkte zich tot een wieg, bekleed met wit satijn. Boven mijn hoofd hing een witte ring met daaraan een verzilverd eendje, een bijtring en rammelaar in één. Het bewoog terwijl ik ernaar keek.
Mijn lichaam voelde vreemd compact. Ik had een groot hoofd, minuscuul kleine handen en voeten en was zo zorgvuldig ingestopt dat ik nauwelijks kon bewegen.
Mijn hele bestaan leek te zijn teruggebracht tot een lijfje ter grootte van een broodje, klaar voor verzending naar een andere dimensie.
Kennelijk was ik al aangekomen. Ik had geen concrete herinnering aan waar ik mogelijk vandaan kwam. Toch was ik bij het wakker worden nog niet helemaal vergeten wat eraan voorafging, waar ik vandaan kwam en wie ik was. Kort daarna zou dat weten naar de achtergrond verdwijnen.
Ik probeerde mijn hand op te tillen, maar er gebeurde vrijwel niets. Mijn hoofd kon ik evenmin naar eigen inzicht bewegen en van mijn voeten hoefde ik voorlopig ook niet veel te verwachten.
Dat was een diepe teleurstelling.
Wat is dit nu weer? Ben ik echt teruggeworpen naar de hulpeloosheid van een baby? Moet ik echt nu weer helemaal opnieuw beginnen?
Plots verscheen er een vrouwengezicht boven mijn wieg. Ik wist meteen dat het mijn moeder was. Haar blik voelde ik rechtstreeks in mijn ziel binnendringen en ik voorvoelde een onbenoembare strijd.
Ze bleef me aankijken, met een mengeling van nieuwsgierigheid en iets anders dat ik niet meteen kon begrijpen.
Haar blik gleed naar het eendje, dat onvermoeibaar zijn rondjes bleef draaien. En toen gebeurde er iets vreemds. Voor een moment leek ze me niet meer te zien, alsof ze in zichzelf verdween. Haar ogen verloren hun scherpte, en ik voelde dat ze naar een andere plek keek — een plek die niets met mij te maken had. Ze liep weg van de wieg en keek door het smalle raam naar buiten.
Misschien dacht ze aan haar eigen wieg, een veel eenvoudiger plek, ergens in een koud huis. Waarschijnlijk herinnerde ze zich hoe haar vader, mijn opa, na haar geboorte thuiskwam en zonder veel interesse in de wieg keek. “Ik kijk later wel wat het is geworden,” had hij gezegd. Hij kuste vol liefde zijn vrouw. En dat was het voor haar. Geen omhelzingen, geen tranen van geluk, alleen een terloopse opmerking die ze zich altijd zou herinneren.
“Ik was nummer zeven in de rij van tien. Zoveel kinderen. Nog een mond te voeden. Vandaar,” vertelde mijn moeder ons later vaak.
Haar blik veranderde weer en ze mompelde iets wat ik niet kon verstaan. Misschien had ze het over mij, misschien over zichzelf, of misschien sprak ze rechtstreeks tegen het spiegelbeeld in het kletsnatte raam.
“Ze is zo klein,” fluisterde ze tegen niemand in het bijzonder.
“Geertruida,” zei ze zacht, alsof ze mijn naam voor het eerst probeerde uit te spreken. Het klonk alsof ze proefde hoe zwaar het in haar mond lag. “Of Margreetje,” voegde ze er met een zucht aan toe.
Margreetje? Goed, laten we dat maar proberen, dacht ik. Want met een naam als Geertruida maak je geen vrienden in het speelkwartier.
Geertruida stond op papier. Margreetje werd het kind dat door de kamers zou lopen, leerde praten, vragen stelde en zich gaandeweg liet vertellen wie zij was. Veel later ontdekte ik dat Margaretha nog veel meer betekende. De naam gaat terug op het Griekse margarites: parel, en nog verder op het Babylonische mâr galliti, dat vertaald kan worden als ‘dochter van de zee’ of ‘kind van het licht’. Ik bedoel maar.
Ik weet alleen nog dat ik mijzelf in die wieg niet als leeg of als een onbeschreven blad ervoer. Ik was misschien wel klein, hulpeloos en nog tot vrijwel niets in staat, maar ik voelde mij niet nieuw.
Ik probeerde opnieuw mijn hand op te tillen. Onder het dekentje bewogen mijn vingers nauwelijks zichtbaar. Het was niet veel, maar het lichaam dat mij eerst alleen klein en onbeholpen had geleken, antwoordde.
Boven mijn hoofd bewoog de witte ring met het verzilverde eendje.
Mijn vingers bewogen opnieuw.
Voorlopig moest ik het daarmee doen.