
Het boerenalfabet
Wat mij maar niet lukte, was boeren laten. Mijn oma probeerde mij te leren hoe het moest: eerst naar lucht happen, doorslikken en dan zou het lukken. Waar mijn broers vlotte leerlingen van oma bleken en al snel luidruchtig konden boeren, bleef ik zitten met een vol gevoel en misselijkheid van al dat luchthappen.
Als mijn vader een boer of scheet liet – en dat gebeurde vaker dan mijn moeder wilde – was het alsof mijn broers het startschot hoorden. Ze deden meteen mee, luidruchtig en enthousiast, alsof ze een wedstrijd hielden. Het alfabet boerend voordragen was hun specialiteit.
Zodra mijn broers hun kans zagen, veranderde het in een theatrale vertoning. Ze sloegen op tafel alsof ze een signaal gaven, maakten elkaar aan het lachen met overdreven geluiden en ik wist: dit kon eindeloos doorgaan. Zelfs mijn moeder moest soms een glimlach onderdrukken. Voor hen was het een wedstrijd. Ik keek toe en probeerde te begrijpen hoe zij het voor elkaar kregen.
Mijn moeder zuchtte dan diep, alsof ze de strijd al had opgegeven. Ze begon met afgemeten gebaren de tafel af te ruimen, zei streng: ‘Ophouden, jongens,’ en mompelde iets over mannen die nooit volwassen werden. Ik keek naar mijn vader, die zijn best deed niet te lachen. Het was alsof hij even vergat dat hij de strenge ouder moest zijn.
Ik weet nog hoe alles veranderde toen ik voor het eerst ook hardop een knetterende scheet liet. Iedereen keek me aan en het werd plotsklaps stil aan tafel.
‘Dat is geen fatsoenlijk gedrag voor een meisje,’ zei mijn moeder.
‘Jezus Christus, net mijn moeder,’ zei mijn vader.
‘Je moet je toch echt leren beheersen. Op dit rare gedrag zit niemand te wachten,’ zei mijn moeder erachteraan.
Mijn broers keken mij en mijn ouders oprecht verbaasd aan.
Op dat moment voelde ik me alsof ik iets kwijt was dat mijn broers nog steeds hadden: de vrijheid om gewoon te zijn. Het was niet alleen een scheet, het was blijkbaar een grens die me eraan herinnerde dat ik niet zoals zij mocht zijn.
Mijn broers kwamen met hun luidruchtigheid weg, terwijl ik mijn mond moest houden.
‘En je kont!’ riepen mijn broers, gierend van het lachen.
Blijkbaar golden er voor meisjes andere regels. Maar diep vanbinnen bleef ik die ene scheet koesteren als een kleine rebellie die niemand van me kon afnemen.