In stukken

Om tien uur zat ik aan tafel met mijn iPad voor me. Toen haar naam verscheen, nam ik het FaceTime-gesprek aan.

Daar zat ze, achter haar computer in haar werkkamer. Ik kende die kamer. Achter haar stonden de vertrouwde dingen, en even vergat ik hoelang ik er niet meer was geweest.

‘Ha,’ zei ik.

‘Hé.’

‘Hoe gaat het met je?’

‘Ja, wel goed. Met jou?’

‘Ook wel. Hier schijnt zowaar de zon. Bij jou ook?’

Ze keek even opzij.

‘Ja.’

‘Ik was net buiten. Het ziet er warmer uit dan het is, maar uit de wind is het heerlijk. De honden zijn heerli—’ Hier onderbrak ze mij abrupt.

‘Ik merk dat ik dit niet kan,’ zei ze.

‘Wat?’

‘Zo over niets kletsen. Ik wil het eigenlijk liever meteen erover hebben.’

‘Ja,’ zei ik. ‘Dat is goed. Ik vind het gewoon fijn je weer te zien.’

Het was prettig om zomaar iets te zeggen, om weer aan haar gezicht en stem te wennen. Misschien zouden we ergens om lachen. Er was een tijd geweest waarin we zonder enige aanloop een gesprek konden beginnen; nu wist ik niet precies waar ik moest instappen.

Ik schoof mijn stoel iets dichter naar de tafel. Ze hield haar hoofd een beetje schuin terwijl ze wachtte tot ik verderging. Ook dat had ik gemist, merkte ik, zo’n kleine beweging die ik onmiddellijk herkende.

‘Dat bericht van mij,’ begon ik. ‘Ik begrijp dat jij dat hebt gelezen alsof ik onze vriendschap wilde beëindigen.’

Ze bleef naar me kijken.

‘Ik wilde niet telkens blijven vragen wanneer je tijd had. Daar werd ik verdrietig van. Ik dacht: als die ruimte er niet meer is, moet ik je laten gaan.’

Terwijl ik sprak, kwamen er allerlei dingen bij me op die ik wilde vertellen. Dat ik soms iets meemaakte en nog steeds als eerste aan haar dacht. Dat ik een bericht begon en het weer weghaalde. Maar ik probeerde bij dat ene bericht te blijven.

‘Daarom heb ik je bedankt voor alles wat we samen hadden gehad. Niet omdat ik niet meer van je hield. Maar omdat ik voelde dat ik niet meer paste in jouw leven.’

Ze boog iets naar haar scherm.

‘Je valt steeds weg.’

Ik wachtte.

‘Sinds wanneer?’

‘Ik heb het laatste stuk niet gehoord.’

‘O.’

Ik keek naar de iPad. Haar gezicht was scherp en haar stem klonk even helder als aan het begin.

‘Ik zei dat ik je niet kwijt wilde. Dat ik alleen niet meer wist—’

‘Ja, nu doe je het weer.’

‘Ik hoor jou wel goed.’

‘Het ligt aan jouw internet, denk ik.’

Ik pakte de iPad.

‘Wacht, ik ga even ergens anders zitten.’

Buiten schoof ik een stoel naar de tafel. Het was kouder dan het er vanuit de kamer had uitgezien. Ik zette de iPad neer, maar door de weerspiegeling zag ik vooral mezelf en een stuk lucht. Aan de andere kant van de tafel kon ik haar beter zien.

‘Is het zo beter?’

‘Zeg eens iets.’

‘Nou, ik zit nu buiten.’

‘Ja, dat hoor ik.’

Ik glimlachte.

‘Dat scheelt.’

Ze bleef wachten. Ik zocht waar ik was gebleven.

‘Bijna vijfentwintig jaar,’ zei ik. ‘Dat is niet iets waarvan ik dacht: nou, daar ben ik klaar mee. Je bent belangrijk voor me, ook als we elkaar niet spreken.’

Af en toe bewoog ze haar hoofd en ik praatte door.

‘Ik wilde je ook gewone dingen kunnen vertellen. Het hoefde niet altijd ergens over te gaan. Soms wilde ik alleen weten hoe het met je was, wat je die dag had gedaan.’

Ze liet me nog even praten.

‘Nee,’ zei ze toen. ‘Het gaat zo niet. Je valt telkens weg.’

Ik trok mijn vest dichter om me heen.

‘Heb je helemaal niets gehoord?’

‘Stukken.’

‘Waar hield het op?’

‘Het hapert gewoon de hele tijd.’

Ik bleef even zitten, met mijn handen aan weerskanten van de iPad.

‘Dan ga ik weer naar binnen.’

Bij de deur moest ik hem tegen me aan houden om de klink omlaag te krijgen.

‘Even hoor.’

‘Ja.’

Haar stem kwam zonder enige hapering uit het apparaat.

Binnen zette ik de iPad weer op tafel en ging zitten.

‘Zo?’

‘Ja?’

‘Hoor je me nu?’

‘Nu wel.’

Ik bleef even stil.

‘Misschien moeten we opnieuw bellen,’ zei ik. ‘Dat helpt weleens.’

We verbraken de verbinding. Haar werkkamer verdween. Ik liet mijn schouders zakken en belde opnieuw.

Ze nam vrijwel meteen op.

‘Daar zijn we weer,’ zei ik.

‘Ja.’

Even leek het goed te gaan. Ik begon opnieuw, iets langzamer ditmaal, hoewel ik ook wel wist dat internet niet beter werd wanneer je duidelijk articuleerde.

‘Ik heb je gemist. Dat wilde ik je eigenlijk zeggen.’

Ze trok haar wenkbrauwen samen.

‘Nu hapert het weer.’

Ik ademde uit.

‘Zou jij misschien even naar jouw verbinding kunnen kijken? Of ergens anders kunnen gaan zitten?’

‘Mijn internet doet het gewoon.’

‘Ja, maar ik hoor jou ook de hele tijd. Je valt bij mij niet weg.’

‘Hier werkt alles goed. Het ligt echt bij jou.’

Ik keek de kamer rond. Er moest ongetwijfeld nog iets zijn wat ik kon proberen, maar ik wist niet wat.

‘Ik weet het ook niet,’ zei ik.

Ze zat nog achter haar computer. Ik keek naar haar gezicht en voelde, ondanks het moeizame gesprek, hoeveel ik van haar hield.

‘Ik hou heel veel van je,’ zei ik.

‘Wat zeg je?’

‘Dat ik van je hou.’

Ze bewoog haar hoofd iets naar voren.

‘Je viel weer weg.’

Ik slikte. Ik wilde niet harder gaan praten, alsof ik boos op haar was.

‘Ik hou van je,’ zei ik nog een keer.

Ditmaal zag ik dat ze me had verstaan.

‘Ja,’ zei ze. ‘Ik geef ook wel om jou.’

Ik knikte.

Nu wist ik even niet wat ik met mijn gezicht moest doen. Misschien had ze het warmer gezegd dan het bij me aankwam. Ik hoorde vooral dat ene woordje, wel, hoewel de rest er ook was en ik mijn best deed dat niet te vergeten.

Mijn hand lag naast de iPad. Ik trok die terug en legde hem in mijn schoot.

‘Hoor je me?’ vroeg ze.

‘Ja,’ zei ik. ‘Ik hoor je.’

‘En nu?’ vroeg ik.

‘Je valt weer weg.’

Ik reikte naar het scherm. Haar beeld verdween terwijl ik op de rode knop drukte; volgens mij verbraken we de verbinding tegelijk.

Even later kwam haar bericht.

We zien wel wanneer we weer contact opnemen. Laten we het maar op gevoel doen en niets afspreken.

Ja, schreef ik terug. We laten ons hart ons leiden.